Motiveringsplicht bij legalisering bebouwing in bestemmingsplan

Motiveringsplicht bij legalisering bebouwing in bestemmingsplan

De gemeente heeft bij het toestaan van onder een vorig bestemmingsplan illegale bebouwing een grote mate van beleidsvrijheid. Deze beleidsvrijheid was onderwerp van de uitspraak van de Raad van State over een verzoek tot voorlopige voorziening, zie , http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2009:BK1357. mr van Nieuwenhuizen was als advocaat bij deze procedure betrokken.

De verzoeker had bezwaar tegen het positief bestemmen van een onder een vorig bestemmingsplan illegale recreatiewoningen en bedrijfswoning.

Van vijf recreatiewoningen en een bedrijfswoning gaat een volledig andere planologische uitstraling en beleving uit dan van het voorheen agrarische gebruik met zogenoemde eendenboeten uitging, aldus verzoeker. Volgens verzoeker is sprake van aantasting van zijn leefklimaat door geluidoverlast en een inbreuk op zijn privacy.

De Raad van State wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe, omdat de gemeente de belangen van verzoeker niet mee heeft gewogen:

Niet in geschil is dat deze bebouwing in strijd met de in het voorheen geldende bestemmingsplan aan het perceel gegeven agrarische bestemming is opgericht en in gebruik genomen. Uit de plantoelichting kan worden afgeleid dat de in het verleden illegaal opgerichte bebouwing in het plan als zodanig is bestemd, omdat het gemeentebestuur met de eigenaar van het perceel afspraken over legalisering heeft gemaakt. Ter zitting is namens de raad nader toegelicht dat het als zodanig bestemmen van de bebouwing is ingegeven door het feit dat het om reeds bestaande bebouwing gaat en het toestaan van kleinschalige recreatieterreinen past binnen het gemeentelijke beleid om de mogelijkheden voor verblijfsrecreatie te verruimen. Het economisch belang van recreatiemogelijkheden is daarbij van groot belang geacht. Uit het voorgaande volgt dat de raad er geen blijk van heeft gegeven dat de belangen van [verzoeker], in het bijzonder wat betreft de door hem gestelde geluidoverlast, zijn betrokken bij de vaststelling van het plan. Het college heeft ter zitting desgevraagd ten aanzien van de gemaakte belangenafweging in zoverre enkel gewezen op de beleidsvrijheid van de raad. Onder deze omstandigheden bestaat bij de voorzitter twijfel over de vraag of een deugdelijke belangenafweging ten aanzien van het bestreden plandeel heeft plaatsgevonden.

De conclusie is dat een belangenafweging en een goede onderbouwing in een bestemmingsplan niet mogen ontbreken.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem contact op met mr L. van Nieuwenhuizen.

 

Nog eens de link:

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2009:BK1357

 

 

Over de auteur

admin administrator

Advocaat vastgoed en omgevingsrecht bij Jonkman, van Nieuwenhuizen en Wezel te Zaandam.