Categorie Archief Verzekeringsrecht

No cure, no pay verbod voor advocaten

Het is advocaten in Nederland op grond van artikel 7.7. van de Verordening voor de advocatuur, zie:http://regelgeving.advocatenorde.nl/content/verordening-op-de-advocatuur niet toegestaan om op no cure, no pay basis te werken. Overtreding van die regel kan lijden tot schorsing of schrapping van het tableau. In het beste geval kan een advocaat die de no cure, no pay regel overtreedt door de tuchtrechter tijdelijk worden geschorst en worden veroordeeld tot terugbetaling van een op grond van “no cure, no pay” verkregen betaling.

Zie voor diverse tuchtrechtuitspraken: http://www.tuchtrecht.overheid.nl

Uit de tuchtrechtspraak blijkt dat advocaten het verbod op “no cure, no pay” soms vermijden door het oprichten van een afzonderlijke onderneming die dan de no cure, no pay zaken aanneemt, of door samenwerking met zo’n onderneming. Ook dat leidde tot schrapping van de betreffende advocaat van het tableau.

De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 26 september 2016, zaaknummer 16-303, blijkt dat ook in strijd is met het verbod op nu cure, no pay om te adverteren met no cure, no pay. In dit geval bevatten zoekwoorden van advertenties op internet die naar de website van het kantoor verwezen de woorden no cure, no pay. Dat mocht dus niet.

De achtergrond van een no cure, no pay verbod is dat de (ook de overheid) vreest voor “Amerikaanse toestanden”, voor een claimcultuur waarbij advocaten aan “ambulance chasing”  doen en zichzelf onevenredig hoge beloningen toekennen. Bovendien zou het tot het opdrijven van de hoogte van door rechters toegekende schadevergoedingen leiden.

Wat wel is toegestaan is no cure, less pay. De Nederlandse Orde van Advocaten licht dat op haar website (http://www.advocatenorde.nl) als volgt toe:

In de tuchtrechtspraak is sinds lange tijd bepaald dat een declaratieafspraak geoorloofd is die ertoe leidt dat bij het uitblijven van een positief resultaat wordt gedeclareerd op basis van een laag uurtarief, doch bij een positief resultaat een hoger tarief zal gelden (zie onder meer HvD 9 februari 1998, Advocatenblad 19 maart 1999). Er bestaat dan ook geen wezenlijk bezwaar tegen een afspraak waarbij de verhoging van het lage tarief in geval van het bereiken van een positief gevolg wordt gerelateerd aan een percentage van de waarde van dat positieve gevolg, mits het lage tarief maar kostendekkend is en voorziet in een bescheiden salaris voor de advocaat.

Kort gezegd betekent no cure, less pay dat een basissalaris wordt afgesproken, waarop de advocaat bij het behalen van een positief resultaat een toeslag wordt toegekend. Het basistarief moet wel voldoende zijn om de kosten te dekken (griffierecht en dergelijke) en te voorzien in een bescheiden salaris voor de advocaat.

JNW advocaten werkt niet op no cure, no pay basis, maar wel, als de zaak daar geschikt voor is, op no cure, less pay basis. Dus een basistarief en bij het behalen van succes een toeslag op dat tarief.

Neem bij interesse en vragen vrijblijvend contact met ons op: info@jnwadvocaten.nl of bel: 075 202 67 16.

Een eerste gesprek is kostenloos.

Juridische verzekeringsperikelen na brand op zeiljacht

Uit een uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden, LJN: BA9073 , 72399 / HA ZA 05-846 van 16 mei 2007 uitspraak blijkt in welke onverkwikkelijke juridische complicaties een verzekerde verzeild kan raken in geval van brand. In casu ging het om een echtpaar dat in het jaar 2000 een nieuw zeiljacht had aangeschaft. Het zeiljacht was verzekerd.

Kort na aanschaf ging het jacht in vlammen op. De verzekeraar liet een expertise verrichten. De experts kwamen tot de conclusie dat geen technische oorzaak voor de brand was te vinden, en dat dus sprake moest zijn van brandstichting. In de uitspraak wordt de conclusie van de experts als volgt verwoord:

“wegens het ontbreken van een technische-, chemische- en/of atmosferische oorzaak kan gesteld worden dat de brand ontstaan is door het al dan niet opzettelijk bijbrengen en/of achterlaten van vuur, al dan niet vergezeld van een brandversneller en/of ontsteking.”

Het zal de lezer duidelijk zijn dat het feit dat een dergelijke conclusie de toets van de logica niet kan doorstaan. Uit het feit dat geen oorzaak is gevonden, kan uiteraard niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van brandstichting, laat staan door de hand van verzekerden.

De politie heeft de verzekerden als verdachten gehoord, maar verder niets ondernomen omdat zij geen bewijzen vond van een eventuele brandstichting. De verzekeraar weigerde de schade te vergoeden omdat volgens haar experts sprake wel sprake zou zijn van brandstichting.

De verzekeraar vond het verdacht dat ten tijde van de brand weinig zaken op het jacht aanwezig waren. Ook verdacht was volgens de verzekeraar dat verzekerden bij de jachtwerf hadden geklaagd over de kwaliteit van het jacht, en dat zij tijdens de brand bovendien, voorzien van zwemvesten, overboord waren gesprongen.

Er volgde een zeven jaar durende procedure.

In 2001 heeft de verzekerde een expertise laten verrichten door TNO, waaruit naar voren kwam dat de brand zou zijn ontstaan in het motorcompartiment, en er geen aanwijzingen waren voor brandstichting. De Rechtbank benoemt een deskundige die tot dezelfde conclusie kwam.

De verzekeraar trok alle mogelijke juridische verweren uit de kast om alsnog niet tot uitkering over te hoeven gaan. Het advies van de deskundige van de rechtbank werd door de verzekeraar betwist. Daardoor ontstond verdere vertraging: tussentijds werd door de Rechtbank een andere deskundige aangewezen.

Nadat diens adviezen gereed waren liet de verzekeraar nogmaals een eigen expertise verrichten.

Aanvullend wierp de verzekeraar op dat verzekerden geen beroep op de verzekering zou toekomen omdat door verzekerden verzwegen zou zijn dat een hen ooit in een echtscheidingsprocedure van meineed werd verdacht. Ook zou verzekerden hun eis juridisch niet goed hebben geformuleerd, zou de schade te laat zijn gemeld, zouden verzekerden te laat een tegenexpertise hebben laten verrichten, en zouden verzekerden hebben verzuimd te melden dat zij door justitie waren gehoord.

De Rechtbank wees deze verweren van de verzekeraar van de hand. De Rechtbank merkte op dat de meineedkwestie betrekking had op een beschuldiging van een ex-echtgenote van verzekerde in een langslepende echtscheidingsprocedure, die niets met de verzekeringszaak te maken had. Ook de overige verweren worden van de hand gewezen. De Rechtbank concludeerde dat uit de verschillende onderzoeken bleek dat de deskundigen het niet eens waren over de oorzaak, maar dat uit hun bevindingen niets bleek over een eventuele brandstichting.

Inmiddels was wel zeven jaar verstreken en veel procedureleed ondervonden.

Deze zaak maakt duidelijk dat het zaak is in een dergelijk geval direct een contra-expertise te laten verrichten en bij voorkeur in kortgeding een voorschot op de schade te claimen.